|
KidsVanNu.nl
Partner site van: www.heinpragt.com (c) Hein Pragt |
|
|
Het kerstverhaal uit de bijbel en andere mooie kerstverhalenPagina menu
AANKONDIGING VAN DE GEBOORTE VAN JEZUSIn de zesde maand zond God de engel Gabriël naar de stad Nazaret in Galilea, naar een meisje dat was uitgehuwelijkt aan een man die Jozef heette, een afstammeling van David. Het meisje heette Maria. Gabriël ging haar huis binnen en zei: "Gegroet Maria, je bent begenadigd, de Heer is met je." Ze schrok hevig bij het horen van zijn woorden en vroeg zich af wat die begroeting te betekenen had. Maar de engel zei tegen haar: "Wees niet bang, Maria, God heeft je zijn gunst geschonken. Luister, je zult zwanger worden en een zoon baren, en je moet hem Jezus noemen. Hij zal een groot man worden en Zoon van de Allerhoogste worden genoemd, en God, de Heer, zal hem de troon van zijn vader David geven. Tot in eeuwigheid zal hij koning zijn over het volk van Jakob, en aan zijn koningschap zal geen einde komen." Maria vroeg aan de engel: "Hoe zal dat gebeuren? Ik heb immers nog nooit gemeenschap met een man gehad." De engel antwoordde: "De heilige Geest zal over je komen en de kracht van de Allerhoogste zal je als een schaduw bedekken. Daarom zal het kind dat geboren wordt, heilig worden genoemd en Zoon van God. Luister, ook je familielid Elisabet is zwanger van een zoon, ondanks haar hoge leeftijd. Ze is nu, ook al hield men haar voor onvruchtbaar, in de zesde maand van haar zwangerschap, want voor God is niets onmogelijk." Maria zei: "De Heer wil ik dienen: laat er met mij gebeuren wat u hebt gezegd." Daarna liet de engel haar weer alleen. DE GEBOORTE VAN JEZUSIn die tijd kondigde keizer Augustus een decreet af dat alle inwoners van het rijk zich moesten laten inschrijven. Deze eerste volkstelling vond plaats tijdens het bewind van Quirinius over Syrië. Iedereen ging op weg om zich te laten inschrijven, ieder naar de plaats waar hij vandaan kwam. Jozef ging van de stad Nazaret in Galilea naar Judea, naar de stad van David die Betlehem heet, aangezien hij van David afstamde, om zich te laten inschrijven samen met Maria, zijn aanstaande vrouw, die zwanger was. Terwijl ze daar waren, brak de dag van haar bevalling aan, en ze bracht een zoon ter wereld, haar eerstgeborene. Ze wikkelde hem in een doek en legde hem in een voederbak, omdat er voor hen geen plaats was in het nachtverblijf van de stad. Niet ver daarvandaan brachten herders de nacht door in het veld, ze hielden de wacht bij hun kudde. Opeens stond er een engel van de Heer bij hen en werden ze omgeven door het stralende licht van de Heer, zodat ze hevig schrokken. De engel zei tegen hen: "Wees niet bang, want ik kom jullie goed nieuws brengen, dat het hele volk met grote vreugde zal vervullen: vandaag is in de stad van David voor jullie een redder geboren. Hij is de messias, de messias, de Heer. Dit zal voor jullie het teken zijn: jullie zullen een pasgeboren kind vinden dat in een doek gewikkeld in een voederbak ligt." En plotseling voegde zich bij de engel een groot hemels leger dat God prees met de woorden: "Eer aan God in de hoogste hemel en vrede op aarde voor alle mensen die hij liefheeft." Toen de engelen waren teruggegaan naar de hemel, zeiden de herders tegen elkaar: "Laten we naar Betlehem gaan om met eigen ogen te zien wat er gebeurd is en wat de Heer ons bekend heeft gemaakt." Ze gingen meteen op weg, en troffen Maria aan en Jozef en het kind dat in de voederbak lag. Toen ze het kind zagen, vertelden ze wat hun over dat kind was gezegd. Allen die het hoorden stonden verbaasd over wat de herders tegen hen zeiden, maar Maria bewaarde al deze woorden in haar hart en bleef erover nadenken. De herders gingen terug, terwijl ze God loofden en prezen om alles wat ze gehoord en gezien hadden, precies zoals het hun was gezegd. Toen er acht dagen verstreken waren en hij besneden zou worden, kreeg hij de naam Jezus, die de engel had genoemd nog voordat hij in de schoot van zijn moeder was ontvangen.
DE VLUCHT VOOR HERODES EN ARCHELAÜSToen Jezus geboren was in Betlehem in Judea, tijdens de regering van Herodes, kwamen er magiërs uit het Oosten in Jeruzalem aan. Ze vroegen: "Waar is de pasgeboren koning van de Joden? Wij hebben namelijk zijn ster zien opgaan en zijn gekomen om hem eer te bewijzen." Koning Herodes schrok hevig toen hij dit hoorde, en heel Jeruzalem met hem. Hij riep alle hogepriesters en schriftgeleerden van het volk samen om aan hen te vragen waar de messias geboren zou worden. "In Betlehem in Judea," zeiden ze tegen hem, "want zo staat het geschreven bij de profeet: 'En jij, Betlehem in het land van Juda, bent zeker niet de minste onder de leiders van Juda, want uit jou komt een leider voort die mijn volk Israël zal hoeden.'" Daarop riep Herodes in het geheim de magiërs bij zich; hij wilde precies van hen weten wanneer de ster zichtbaar geworden was, en stuurde hen vervolgens naar Betlehem met de woorden: "Stel een nauwkeurig onderzoek in naar het kind. Stuur mij bericht zodra u het gevonden hebt, zodat ook ik erheen kan gaan om het eer te bewijzen." Nadat ze geluisterd hadden naar wat de koning hun opdroeg, gingen ze op weg, en nu ging de ster die ze hadden zien opgaan voor hen uit, totdat hij stil bleef staan boven de plaats waar het kind was. Toen ze dat zagen, werden ze vervuld van diepe vreugde. Ze gingen het huis binnen en vonden het kind met Maria, zijn moeder. Ze wierpen zich neer om het eer te bewijzen. Daarna openden ze hun kistjes met kostbaarheden en boden het kind geschenken aan: goud en wierook en mirre. Nadat ze in een droom waren gewaarschuwd om niet naar Herodes terug te gaan, reisden ze via een andere route terug naar hun land. Kort nadat zij op die manier de wijk genomen hadden, verscheen er aan Jozef in een droom een engel van de Heer. Hij zei: "Sta op en vlucht met het kind en zijn moeder naar Egypte. Blijf daar tot ik je weer roep, want Herodes is naar het kind op zoek en wil het ombrengen." Jozef stond op en week nog diezelfde nacht met het kind en zijn moeder uit naar Egypte. Daar bleef hij tot de dood van Herodes, en zo ging in vervulling wat bij monde van de profeet door de Heer is gezegd: "Uit Egypte heb ik mijn zoon geroepen." Toen Herodes begreep dat hij door de magiërs misleid was, werd hij verschrikkelijk kwaad, en afgaande op het tijdstip dat hij van de magiërs had gehoord, gaf hij opdracht om in Betlehem en de wijde omgeving alle jongetjes van twee jaar en jonger om te brengen. Zo ging in vervulling wat gezegd is door de profeet Jeremia: 'Er klonk een stem in Rama, luid wenend en klagend. Rachel beweende haar kinderen en wilde niet worden getroost, want ze zijn er niet meer.' Nadat Herodes gestorven was, verscheen er in een droom aan Jozef in Egypte een engel van de Heer. De engel zei: "Sta op, ga met het kind en zijn moeder naar Israël. Want zij die het kind om het leven wilden brengen, zijn gestorven." Jozef stond op en vertrok met het kind en zijn moeder naar Israël. Maar toen hij daar hoorde dat Archelaüs zijn vader Herodes had opgevolgd als koning over Judea, durfde hij niet verder te reizen. Na aanwijzingen in een droom week hij uit naar Galilea. Hij ging wonen in de stad Nazaret, en zo ging in vervulling wat gezegd is door de profeten: "Hij zal Nazoreeër genoemd worden."
Het was afschuwelijk koud, het sneeuwde en het begon donker te worden. Het was ook de laatste avond van het jaar, oudejaarsavond. In die kou en in dat donker liep er op straat een arm, klein meisje, zonder muts en op blote voeten. Ze had wel pantoffels aangehad toen ze van huis ging, maar dat hielp niet veel: het waren heel grote pantoffels, haar moeder had ze het laatst gedragen, zo groot waren ze, en het meisje had ze bij het oversteken verloren, toen er twee rijtuigen vreselijk hard voorbijvlogen. De ene pantoffel was niet te vinden en met de andere ging er een jongen vandoor: hij zei dat hij hem als wieg kon gebruiken als hij later kinderen kreeg. Daar liep dat meisje dus op haar blote voetjes, die rood en blauw zagen van de kou. In een oud schort had ze een heleboel zwavelstokjes en één bosje hield ze in haar hand. Niemand had nog iets van haar gekocht, de hele dag niet. Niemand had haar ook maar een stuivertje gegeven. Hongerig en koud liep ze daar en ze zag er zo zielig uit, dat arme stakkerdje! De sneeuwvlokken vielen in haar lange, blonde haar, dat zo mooi in haar nek krulde, maar aan dat soort dingen dacht ze echt niet. Uit alle ramen scheen licht naar buiten en het rook overal zo lekker naar gebraden gans; het was immers oudejaarsavond en daar dacht ze wel aan. In een hoekje tussen twee huizen, waarvan het ene een beetje vooruitstak, ging ze in elkaar gedoken zitten. Haar beentjes trok ze onder zich op, maar ze kreeg het nog kouder, en naar huis durfde ze niet, want ze had geen zwavelstokjes verkocht en ook geen stuivertje gekregen. Haar vader zou haar slaan en thuis was het trouwens ook koud. Ze woonden vlak onder het dak en daar blies de wind doorheen, ook al waren de ergste kieren met stro en oude lappen dichtgestopt. Ze had bijna geen gevoel meer in haar handjes van de kou. O, wat zou een zwavelstokje lekker warm zijn! Zou ze er eentje uit het bosje durven trekken en het tegen de muur afstrijken om haar handen te warmen? Ze trok er een uit. "Ritsss..." Wat vlamde dat, wat brandde dat! Het gaf een warm, helder vlammetje, net een kaarsje, toen ze haar handen eromheen hield. Een wonderlijk licht gaf het. Het meisje dacht dat ze voor een grote, ijzeren kachel zat met glimmende koperen ballen en een koperen trommel. Het vuur brandde zo heerlijk, het was zo lekker warm. Maar wat was dat? Het meisje strekte haar voetjes al uit om die ook te warmen - toen ging de vlam uit, de kachel verdween - en zij zat met een stompje van het afgebrande zwavelstokje in haar hand. Ze stak er nog een aan. Het brandde, het gaf licht en waar het schijnsel op de muur viel, werd die doorzichtig, net als een sluier. Ze keek zo de kamer in, waar de tafel gedekt was met een spierwit tafelkleed, met het fijnste porselein. De gebraden gans, gevuld met pruimen en appeltjes, stond heerlijk te dampen. En wat het aller-heerlijkst was, de gans sprong van de schaal en waggelde met een vork en mes in zijn rug over de grond. Hij kwam recht op het arme meisje af; toen ging het zwavelstokje uit en was alleen de dichte, koude muur er nog. Ze stak er nog een aan. Toen zat ze onder de mooiste kerstboom, nog groter en nog rijker versierd dan de boom die ze door de glazen deur bij de rijke koopman had gezien, vorig jaar met Kerstmis. Er brandden wel duizend kaarsjes aan de groene takken, en gekleurde prentjes, zoals je die in etalages ziet, keken haar aan. Het meisje strekte haar beide handen uit - toen ging het zwavelstokje uit, de vele kerstkaarsjes gingen de lucht in en veranderden in sterren, zag ze. Eentje viel er en liet een lange streep van vuur achter aan de hemel. "Nu gaat er iemand dood," zei het meisje. Want haar oude grootmoeder, de enige die lief voor haar was geweest, maar die nu dood was, had gezegd: "Als er een ster valt, gaat er een zieltje naar God." Ze streek weer een zwavelstokje af tegen de muur, het gaf licht en in het schijnsel stond haar oma, heel duidelijk, heel stralend, heel vriendelijk en lief. "Oma!" riep het meisje. "O, neem me mee! Ik weet dat je weg bent, als het zwavelstokje uitgaat. Weg, net als de warme kachel, de gebraden gans en die prachtige, grote kerstboom." Haastig streek ze de rest van de zwavelstokjes uit het bosje af, want ze wilde oma vasthouden. De zwavelstokjes gaven zoveel licht dat het klaarlichte dag leek. Oma had er nog nooit zo mooi en zo groot uitgezien. Ze nam het kleine meisje op haar arm en ze vlogen, stralend en blij, heel, heel hoog. Er was geen kou, geen honger, geen angst - ze waren bij God. Maar in het hoekje bij het huis zat in de koude wintermorgen het kleine meisje met de rode wangen, met een glimlach om haar mond - dood, doodgevroren op de laatste avond van het oude jaar. Het werd nieuwjaarsochtend en de kleine dode zat daar met haar zwavelstokjes, waarvan een bosje bijna was opgebrand. Ze heeft zich willen warmen, zeiden ze. Niemand wist wat voor moois ze had gezien, hoe stralend ze met oma de vreugde van het nieuwe jaar was ingegaan.
In de tijd dat Augustus keizer was van het Romeinse rijk en koning Herodes in Jeruzalem regeerde, leefde er in Perzië een man die Artaban heette. Artaban was een geleerde en wijze man. Hij wist veel van de geneeskracht van planten en kruiden en als het donker was bestudeerde hij de sterrenhemel. In oude profetische boeken had hij gelezen dat in het Joodse land een koning geboren zou worden, die licht en vrede zou brengen over de hele aarde. Als teken van zijn geboorte zou een grote nieuwe ster aan de hemel verschijnen. Artaban had dit verteld aan drie andere wijze mannen die de sterren bestudeerden. Zodra de ster was verschenen, wilden ze samen naar Jeruzalem reizen om de nieuwe koning te begroeten en hem geschenken te brengen. En omdat ze op verschillende plaatsen in Perzië woonden, hadden ze afgesproken dat ze alle vier op reis zouden gaan zodra ze de nieuwe ster aan de hemel zagen. Bij een tempel niet ver van Babylon zouden ze op elkaar wachten. Daarna konden ze samen door de woestijn naar het Joodse land reizen. Op een avond toen Artaban weer op het dakterras van zijn huis naar de sterren keek, ontdekte hij een grote heldere ster, die hij nog nooit eerder had gezien. "Dit moet het teken zijn!" dacht hij. "De koning is geboren. Ik zal er heengaan om hem te begroeten." De volgende dag verkocht hij zijn huis met al zijn bezittingen en voor het geld dat hij ontving kocht hij drie edelstenen: een blauwe saffier, een rode robijn en een witte parel. Daarna besteeg hij zijn paard en ging snel op weg naar de tempel waar zijn vrienden op hem zouden wachten. Ze hadden uitgerekend dat ieder daar, tien dagen na het verschijnen van de ster, zou kunnen zijn. Na de tiende dag zouden ze vertrekken, ook als een van hen nog niet was aangekomen. Het was immers mogelijk dat die verhinderd was de reis te maken door ziekte of door een andere oorzaak. Artaban moest elke dag een lange afstand afleggen om op tijd bij de tempel te komen. Eindelijk tegen de avond van de tiende dag zag hij de vervallen muren van de stad Babyion. Na een korte rust en een maaltijd reed hij weer verder. Nog drie uren rijden en dan zou hij zijn vrienden ontmoeten in de tempel. Artaban verheugde zich erop hen weer te zien en samen met hen verder te kunnen reizen. Hij reed nu door een donker bos van dadelpalmen waar het maanlicht maar nauwelijks kon doordringen. Zijn paard liep langzaam, voorzichtig zijn weg zoekend. Plotseling bleef het staan voor een donker voorwerp dat op de weg lag. Artaban liet zich van zijn paard glijden en zag een man op de grond liggen. In het zwakke maanlicht keek hij naar het bleke gezicht. Hij had het vermoeden dat het een Joodse man was. Er woonden nog steeds veel Joden in Babylon sinds het Joodse volk honderden jaren geleden daarheen in ballingschap was gevoerd. Artaban dacht dat de man dood was. Hij kon niets meer voor hem doen. Bovendien had hij geen tijd voor een oponthoud. Hij keerde zich om en wilde zijn paard aan de teugel langs het lichaam van de man leiden. Maar toen hoorde hij een diepe zucht en hij voelde dat de man de zoom van zijn mantel vastgreep. Artaban schrok. De man leefde nog en hij moest hem helpen. Maar dat betekende ook dat Artaban te laat bij de tempel zou komen. Zijn vrienden zouden vast denken dat hij niet op reis was gegaan en zij zouden zonder Artaban vertrekken. Een ogenblik stond Artaban in tweestrijd. Als hij de man zo liet liggen, zou hij zeker sterven. In elk geval moest hij hem wat laten drinken. Uit een beek haalde hij water en bevochtigde daarmee de droge mond en het voorhoofd van de man. Van een geneesmiddel, dat hij altijd bij zich had, maakte hij een drankje en goot dat voorzichtig tussen de lippen van de zieke man. Zo was hij lange tijd met hem bezig en langzamerhand kreeg de man zijn krachten terug en kon hij weer iets zeggen. "Wie ben je?" vroeg hij. "Waarom ben je hier gekomen om mij van de dood te redden?" "Ik heet Artaban en ik ben op weg naar Jeruzalem om de nieuwe koning van de Joden te zoeken, die licht en vrede zal brengen. Nu moet ik weer snel verder reizen. Hier heb je nog wat brood en een kruidendrank. Je zult nu gauw weer sterk genoeg zijn om naar huis te gaan." De Jood hief zijn bevende hand op naar de hemel en zei: "Moge de God van Abraham, Izaak en Jakob je zegenen. Ik heb niets wat ik je als dank kan geven, maar ik kan je wel vertellen waar je de Messias kunt vinden. Onze profeten hebben gezegd dat hij in Bethlehem geboren zal worden." Het was al ver na middernacht toen Artaban weer verder reed en de zon kwam op toen hij bij de tempel aankwam. Zijn vrienden waren al vertrokken. Onder een steen vond Artaban een stuk perkament waarop stond geschreven: "We hebben gewacht tot na middernacht. Volg ons door de woestijn!" Teleurgesteld ging Artaban op de grond zitten en dacht: "Hoe kan ik de woestijn doortrekken op een uitgeput paard en zonder voedsel? Ik moet terug naar Babylon, mijn saffier en paard verkopen en een kameel en voedsel voor onderweg kopen. Zal ik mijn vrienden ooit inhalen?" Een paar weken later reed Artaban door de woestijn, hoog gezeten op een kameel, schommelend als een schip op zee. Hij kwam langs Damascus, zag de sneeuwtoppen van de Hermon, het blauwe water van het Meer van Galilea en reed door de vallei van de Jordaan. Hij kwam in Bethlehem aan, drie dagen nadat de drie Wijzen Jozef en Maria met het kind hadden gevonden en hun geschenken van goud, wierook en mirre hadden gegeven. Artaban was doodmoe van de lange reis, maar ook blij dat hij nu eindelijk de nieuwe koning zou zien en hem zijn robijn en parel kon geven. Bij de open deur van een klein huisje bleef Artaban staan. Daar zat een vrouw met een kind op schoot en gaf het te drinken. Artaban vroeg de vrouw of ze drie vreemdelingen had gezien die een pasgeboren kind kwamen zoeken. "Ja, ik heb ze gezien," zei de vrouw, "dat waren rijke mannen die hier kwamen op hun kamelen. Ze brachten goud, wierook en mirre mee voor het kind van eenvoudige mensen, die uit Nazareth kwamen. Maar na een paar dagen zijn ze onverwachts weer weggegaan. En die man uit Nazareth is midden in de nacht met zijn vrouw en zoontje vertrokken. Er wordt gezegd dat ze gevlucht zijn naar Egypte omdat Romeinse soldaten onderweg zijn om het kind te zoeken. Ik begrijp het niet, het waren heel gewone mensen en ik kan me niet voorstellen dat ze iets misdaan hebben. Plotseling hoorden ze vrouwen schreeuwen: "De soldaten van Herodes! Ze willen onze kinderen doden!" De vrouw werd doodsbleek. Ze drukte het kind tegen zich aan en kroop in de donkerste hoek van de kamer. Artaban ging breeduit in de deuropening staan, zodat niemand naar binnen kon. De soldaten, die dichterbij kwamen, keken de indrukwekkende vreemdeling aarzelend aan. De aanvoerder van de troep wilde Artaban opzij duwen, maar deze bleef onbeweeglijk staan. Kalm zei hij: "Als je me met rust laat, geef ik je deze kostbare robijn." Begerig griste de aanvoerder de schitterende edelsteen uit zijn hand en riep tegen de soldaten: "Doorlopen! Hier is geen kind!" De vrouw bedankte Artaban met tranen in de ogen. Ze zei: "U hebt mijn kind gered. Moge de Heer u vrede geven!" "Nu heb ik alleen nog maar de parel over voor de koning die ik zoek," dacht Artaban en weer ging hij op reis, nu naar Egypte waar hij het kind met zijn ouders hoopte te vinden. Maar waar moest hij daar zoeken? In Alexandrië ging hij naar een Joods rabbi en vroeg hem om raad. De rabbi las hem voor van een perkamenten rol waarop profetieën over Israël waren geschreven. Hij zei: "De koning, die je zoekt, kun je niet vinden in een paleis of bij rijke en machtige mensen. Zoek hem bij de armen, bij zieken en gevangenen." Artaban ging op weg. Hij zag veel arme mensen, hij bezocht zieken en kon velen genezen door zijn kennis van geneeskrachtige kruiden. Ook kwam hij in gevangenissen. Hij probeerde te troosten en te helpen waar hij kon. Het leek soms alsof hij zijn eigenlijke doel had vergeten, maar zo nu en dan, als hij helemaal alleen was, haalde hij uit een verborgen plekje in zijn gordel de parel te voorschijn en keek ernaar. Zo gingen drieëndertig jaren voorbij, maar de koning die hij zocht vond hij niet. Zijn donkere haren en baard waren grijs geworden. Artaban was oud en moe. Met een groep Joodse pelgrims trok hij naar Jeruzalem waar de Joden hun Paasfeest zouden vieren bij de tempel. Daar liep Artaban door de nauwe straten en stegen, nog steeds zoekend om zich heen kijkend. Er hing een dreigende sfeer. Donkere wolken trokken samen boven de stad. En een grote menigte mensen liep opgewonden in de richting van de westelijke stadspoort. Aan een paar Perzische Joden, die ook die kant op gingen, vroeg Artaban wat er aan de hand was. "We gaan naar Golgotha," antwoordde ze, "daar buiten de stadsmuur zal een terechtstelling plaatsvinden van twee beruchte rovers. En tegelijk met hen zal Jezus van Nazareth gekruisigd worden. Deze man heeft wonderbare dingen gedaan voor zieke en ongelukkige mensen. Hij heeft veel volgelingen onder het arme volk. Pilatus, de stadhouder, heeft hem tot het kruis veroordeeld omdat hij beweerde de "Koning der Joden" te zijn. Haastig liepen de Perzen weer door. Artaban was doodsbleek geworden en stond te trillen op zijn benen. Was die Jezus van Nazareth de koning, die drieëndertig jaar geleden in Bethlehem was geboren en die hij al die jaren had gezocht? En werd hij nu gekruisigd? Hoe was dit mogelijk? "Misschien kan ik hem nog vrijkopen met mijn parel!" dacht Artaban. En zo snel als zijn oude benen hem konden dragen liep hij met de menigte mee naar de poort. Daar kwam plotseling uit een zijstraat een troep soldaten, die een meisje met zich mee sleepten. Haar jurk was gescheurd en ze schreeuwde het uit van angst. Artaban bleef staan, hij had medelijden met haar. Het meisje zag aan zijn kleren dat hij een Perzische geleerde was. "Help me!" riep ze. "Mijn vader kwam ook uit Perzië, maar nu hij dood is hebben ze me als slavin verkocht. Red me van wat erger is dan de dood!" Artaban beefde. Hij had nog maar één kostbaar geschenk voor de koning die hij zocht. Tijd om lang na te denken was er niet. Hij nam de parel uit zijn gordel en hield hem in zijn open hand. Verbaasd en begerig keken de soldaten naar de glanzende steen. Ze lieten het meisje los, grepen de parel en verdwenen. Op hetzelfde moment werd het aardedonker en een aardbeving deed de grond trillen. De muren van de huizen schudden heen en weer. De mensen vluchtten zo snel mogelijk de poort uit, maar Artaban bleef staan. Hij had geen haast meer en hij was niet bang. Zijn laatste geschenk voor de koning had hij weggegeven. Hij had geen hoop meer hem nog te vinden. Zijn zoeken was afgelopen. Opnieuw deed een aardschok de grond trillen. Een steen uit een muur viel op het hoofd van Artaban en hij viel neer. Hevig geschrokken knielde het meisje dat door hem was bevrijd, naast hem neer. Het was alsof hij met iemand sprak die zij niet kon zien. Ze zag zijn lippen bewegen en ze hoorde hem fluisteren: "Maar Heer, wanneer zag ik u dan hongerig en heb ik u te eten gegeven? Of dorstig en heb ik u te drinken gegeven? Wanneer zag ik u dan als vreemdeling en heb ik u opgenomen? Of naakt en heb ik u gekleed? Wanneer zag ik u ziek of in de gevangenis en ben ik bij u gekomen? Drieëndertig jaar heb ik u gezocht, maar nooit heb ik u gevonden." Hij zweeg en van veraf maar toch duidelijk hoorde het meisje een stem die zei: "Wat je voor mijn broeders hebt gedaan, dat heb je voor mij gedaan!" Een glans van verwondering en vreugde kwam over het bleke gezicht van Artaban. Een laatste lange zucht van bevrijding kwam over zijn lippen. Zijn reis was geëindigd. Zijn geschenken waren aangenomen. De vierde Wijze had de Koning gevonden.
Er was eens een man die het kerstfeest grondig wilde vieren. Hij haalde een laddertje uit de schuur en spande langs het plafond de rode papieren slingers die daarvoor garant zijn. Aan de lamp hing hij een van die rode bellen, die opgevouwen weinig lijken, maar naderhand nog aardig meevallen. Toen dekte hij de tafel. Hij had hiervoor urenlang over drie winkels verdeeld in de rij gestaan, maar het zag er dan ook goed uit. Naast elk bord stak hij ten slotte een kaarsje aan, waarvan je er tien in een doos koopt, en klapte in zijn handen. Dit was het teken om binnen te komen. Zijn vrouw en kinderen, die al die tijd in de keuken elkaar met een verlegen glimlach hadden aangekeken, kwamen bedremmeld binnen. "Nee maar," zeiden ze, "dat had je niet moeten doen." Maar omdat hij het toch gedaan had gingen ze blij zitten en keken elkaar warm aan. "En nu gaan we niet alleen smullen," zei de man, " we moeten ook beseffen wat er nu eigenlijk gebeurd is." En hij las voor hoe Maria en Jozef alle herbergen afliepen, maar nergens was er plaats. Maar het kind werd ten slotte toch geboren, zij het in een stal. En toen begonnen ze te eten, want nu mocht het, al was er dan veel ellende in de wereld. "Kijk," zei de man "dat is nu Kerst vieren en zo hoort het eigenlijk." En daarin had hij gelijk. En zij verwonderden zich over de hardvochtigheid van al die herbergiers, maar het was ook tweeduizend jaar geleden moet je denken, zo iets kwam nu niet meer voor. En op dat ogenblik werd er gebeld. De man legde de banketstaaf die hij juist aan de mond bracht, verstoord weer op zijn bord. "Dat is nu vervelend," zei hij, "er is ook altijd wat." Hij knoopte zijn servet los, sloeg de kruimels van zijn knie en slofte naar de voordeur. Er stond een man op de stoep met een baard en heldere, lichte ogen. Hij vroeg of hij hier ook schuilen mocht, want het sneeuwde zo. Het was namelijk een witte Kerst, dat heb ik nog vergeten te zeggen, hoe kan ik zo dom zijn. De beide mannen keken elkaar een ogenblik zwijgend aan en toen werd de een door een grote drift bevangen. "Uitgerekend op Kerstmis," zei hij, "zijn er geen andere avonden." En hij sloeg de deur hard achter zich dicht. Maar terug in de kamer kwam er een vreemd gevoel over hem en de tulband smaakte hem niet. "Ik ga nog eens even kijken," zei hij, "er is iets gebeurd, maar ik weet niet wat." Hij liep terug naar de stoep en keek in de warrelende sneeuw. Daar zag hij de man nog juist om de hoek verdwijnen, met een jonge vrouw naast zich, die zwanger was. Hij holde naar de hoek en tuurde de straat af, maar er was niemand meer te zien. Die twee leken wel in de sneeuw te zijn opgelost. Want het was, zoals gezegd, een witte Kerst. Toen hij weer in de kamer kwam zag hij bleek en er stonden tranen in zijn ogen. "Zeg maar even niets," zei hij, "die wind is wat schraal, het gaat wel weer over." En dat was ook zo, men moet zich over die dingen kunnen heen zetten. Het werd nog een heel prettig Kerstfeest, het was in jaren niet zo echt geweest. Het bleef sneeuwen, de hele nacht door en zelfs het kind werd opnieuw in een schuur geboren.
In de nacht toen Jezus geboren werd, liep een arme herdersjongen over de heuvels bij Bethlehem om één van zijn schapen te zoeken. En zo gebeurde het, dat hij niet bij de herders was, waarover de bijbel ons vertelt. Deze jongen diende bij een strenge heer - wie weet misschien wel bij een van de waarden in Bethlehem - en als hij zou thuiskomen en er een schaap van zijn kudde ontbrak, dan kreeg hij slaag. Daarom lette hij nauwelijks op de wonderbaarlijke dingen die om hem heen gebeurden. Hij merkte niet dat de wind ging liggen; hij hoorde niet hoe de vogels begonnen te zingen en hij zag niet dat alle sterren plotseling met dubbele glans straalden. Zijn weg voerde hem de berg op. Hij zocht achter iedere struik, tot hij ten slotte boven op de berg stond. Van hier kon hij ver in het rond over de velden zien, helemaal tot de stad Bethlehem. Terwijl hij daar zo boven stond, gebeurde het, dat de hemel zich opende en dat de nacht zo licht werd als de dag. Een ontelbare schaar engelen verscheen en hun lofzang klonk over de aarde. Hoe groot dit wonder was, dat in die nacht geschiedde, heeft tot op de dag van vandaag nauwelijks een mens begrepen. Daarom kunnen we het een kleine herdersjongen ook vergeven, dat hij deze boodschap niet meteen begreep. Hij dacht alleen maar aan het schaap, dat ervandoor gegaan was en hij wilde verder zoeken. Toen stond er plotseling een engel voor hem en sprak: "Maak je geen zorgen meer om het schaap, op dit uur is een veel grotere Herder geboren. Ga snel naar Bethlehem, waar het Christuskind, de Verlosser van de wereld, in de kribbe ligt." "Voor de Verlosser van de wereld," zei de jongen, "voor Hem mag ik toch niet verschijnen, als ik hem geen geschenk kan geven?" "Hier, neem deze fluit en speel een lied voor het kind," sprak de engel, en was op hetzelfde ogenblik verdwenen. Zeven tonen had die fluit en toen de jongen haar aan zijn lippen zette, speelde ze als vanzelf. Dankbaar en blij liep hij de berg af. Hij wilde over een beekje springen, maar struikelde en lag languit zo groot als hij was, tussen de kiezelstenen. De fluit viel uit zijn hand. Uit zijn mond ontglipte een woord, dat misschien wel eens onder de herders gebruikt wordt, maar dat men beter niet gebruiken kan. Mooi was het niet! Én toen hij de fluit weer in de hand hield was er één toon verloren gegaan. Nog zes tonen kon de fluit spelen. Tijd om te huilen was er niet en bovendien werd het pad langzaam beter; dus liep hij zo snel mogelijk door. Ineens bleef hij staan: vlak voor zich zag hij een grote wolf zitten met ontblote tanden, klaar om te bijten. Het was de lammetjesverslinder zelf. De jongen werd woedend. "Maak dat je wegkomt," riep hij en voor hij er erg in had, had hij de fluit naar de al wegvluchtende wolf gegooid. Toen hij haar weer vond, kon de fluit nog maar vijf tonen laten horen. De herdersjongen was nu op de plaats gekomen waar de kudden steeds waren. Rustig lagen daar alle schapen en er heerste diepe stilte, slechts één schaap liep blatend rond. De jongen wilde het binnen de omheining brengen. Hij rende er achter aan en omdat het schaap hem ontweek gooide hij met wat hij juist in zijn hand hield. Het was de fluit, die weer een toon verloren had. Maar waar waren de andere herders toch gebleven? De jongen kon immers niet weten dat zij voor het kindje in de stal knielden. Hij dacht dat ze vast weer met een kruik bier in de herberg zaten en dat hij als jongste weer de wacht moest houden. Boos schopte hij met zijn voet tegen een kruik met water, die dicht bij het vuur stond. Toen was het of een onzichtbare macht hem de fluit uit zijn hand sloeg, en toen hij haar weer opraapte had zij nog maar drie tonen over. Daarop ging hij verder naar Bethlehem. Alles ging goed, tot hij door de stadspoort wilde gaan. Daar zag hij zich plotseling omringd door een groep straatjongens die hem zijn fluit wilden afnemen, maar hij wilde haar niet geven. Er vielen klappen over en weer. De fluit had hij weliswaar behouden, maar weer was een toon verloren gegaan. Eindelijk stond hij toch voor de stal. Hoog boven het dak straalde de wonderbaarlijke ster en in de kribbe lag de Verlosser van de wereld. En toch zou het nog gebeuren dat de fluit nog maar één toon overhad, toen hij de stal binnenging. Want juist wilde hij langs de huisdeur lopen, toen de bitse hond van de waard op hem af schoot. Hij wist zich niet anders te verweren dan met wat hij in zijn hand hield en dat was de fluit. Zo stond hij nu bij de staldeur maar durfde niet naar binnen te gaan. Hij schaamde zich heel diep, dat er zo weinig van zijn geschenk overgebleven was. In zijn onschuld kon hij niet weten, dat de weg die iedere mens tot de Verlosser voert vol hindernissen is. Maar de moeder van het Christuskind wenkte hem binnen te komen. En heel stil kwam de jongen uit zijn hoekje te voorschijn en hij speelde op zijn fluit de laatste, nog overgebleven toon. Wat klonk die prachtig. Het Kind luisterde en iedereen in de stal luisterde, Maria en Jozef, de os en de ezel. Het Kerstkind strekte zijn goddelijke hand uit en raakte de fluit aan. En zie: op hetzelfde ogenblik was de fluit weer heel, en haar zeven tonen klonken weer zo mooi en heerlijk, zoals ze al in de hemel geklonken hadden. |
|
Disclaimer. Privacy beleidWij maken gebruik van externe advertentiebedrijven om advertenties weer te geven wanneer u onze website bezoekt. Deze bedrijven gebruiken mogelijk informatie (niet uw naam, adres, e-mailadres of telefoonnummer) over uw bezoek aan deze of aan andere websites om advertenties weer te geven over goederen en services waarin u wellicht geïnteresseerd bent. Als u hierover meer informatie wenst of als u wilt voorkomen dat deze bedrijven deze informatie gebruiken, klikt u op deze link. |